prijs

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

prijs ;

  1. gevraagde geldsom bij verkoop
    de prijzen zijn deze winter sterk gestegen
  2. uitzonderlijke beloning, bijvoorbeeld voor een bepaalde prestatie
    hij won de tweede prijs in de loterij

Vertalingen

Werkwoord

prijs

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd en gebiedende wijs van prijzen
Aspecten/acties
Persoonlijke instellingen