voorkant
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- voor·kant
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | voorkant | voorkanten |
| verkleinwoord | (voorkantje) | (voorkantjes) |
Zelfstandig naamwoord
voorkant m
- één van de zijden van een voorwerp, namelijk dewelke naar voren gericht is.
- De voorkant van een huis is gewoonlijk naar de straat gericht waaraan het ligt.
Synoniemen
Antoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen
1. één van de zijden van een voorwerp, namelijk dewelke naar voren gericht is