voorspel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • voor·spel
Woordherkomst en -opbouw

Samenstelling van "voor" en "spel" [1]

enkelvoud meervoud
naamwoord voorspel voorspelen
verkleinwoord voorspelletje voorspelletjes

Zelfstandig naamwoord

voorspel o

  1. een voorbereidende inleiding op een geschiedenis, verhaal, toneel- of muziekstuk
    Het ingetogen voorspel tot de derde akte.
  2. het ter beoordeling geheel of gedeeltelijk uitvoeren van een muziekstuk
    Een vast onderdeel van het toelatingsexamen is een voorspel.
  3. het liefdesspel
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
voorspellen

voorspel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van voorspellen
    Ik voorspel.
  2. gebiedende wijs van voorspellen
    Voorspel!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van voorspellen
    Voorspel je?
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl