voorspel
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- voor·spel
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| voorspellen |
voorspel
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van voorspellen
- Ik voorspel.
- gebiedende wijs van voorspellen
- Voorspel!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van voorspellen
- Voorspel je?