voorbode
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- IPA: /ˈvorbodə/
Woordafbreking
- voor·bo·de
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | voorbode | voorbodes voorboden |
| verkleinwoord | voorbodetje | voorbodetjes |
Zelfstandig naamwoord
voorbode m (de)
- (beroep) (letterlijk) bode die vooruitgestuurd is om de komst van iets of iemand aan te kondigen, voorloper ,aankondiger
- De voorbode kondigde de komst van de koning en de koningin aan.
- (figuurlijk) iets dat het naderen van een feit in de toekomst bekend maakt, voorteken
- De herfst kan als de voorbode van de winter gezien worden.
Vertalingen
1. vooruitgestuurde bode (letterlijk)