voordoen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- voor·doen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| voordoen |
deed voor |
voorgedaan |
| onregelmatig | volledig | |
Werkwoord
voordoen
- (overgankelijk) bij wijze van voorbeeld laten zien hoe iets gedaan hoort te worden
- Hij had het enige keren voorgedaan, maar ze kreeg het niet voor elkaar.
- (wederkerend) zich ~: komen te gebeuren, zich aandienen
- Wat er zich daar heeft voorgedaan zal de betrokkenen nog lang heugen.
- (wederkerend) zich ~ als: impersoneren, een bepaalde indentiteit voorwenden
- Hij had zich voorgedaan als een rijke investeerder.
Antoniemen
- [1]: nadoen