voorbereiden
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- voor·be·rei·den
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| voorbereiden |
bereidde voor |
voorbereid |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
voorbereiden
- (overgankelijk) handelingen verrichten die een latere gebeurtenis mogelijk moeten maken
- We moeten ons daar nog even op voorbereiden.