achter
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ach·ter
Voorzetsel
- achter
- 1. verder weg dan (gezien vanaf de spreker of anderszins)
- De zon gaat schuil achter de wolken.
- 2. aan de achterkant
- Bob zit voor zijn werk de hele dag achter de computer.
- Piet parkeert zijn auto achter de winkel.
- 3. later in rangorde
- Toen stond PSV achter Ajax en Feyenoord in de eredivisie.
- 1. verder weg dan (gezien vanaf de spreker of anderszins)
Synoniemen
- 3. lager dan
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1.
| vnw. bijw. | ||
|---|---|---|
| voorzetselbijwoord | achter | |
| persoonlijk | erachter | |
| aanwijz. | nabij | hierachter |
| veraf | daarachter | |
| vragend/betrekk. | waarachter | |
Bijwoord
achter
- prepositionaal deel van een voornaamwoordelijk bijwoord
- Hier zit meer achter.
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
- Achterlaten: Hij liet een goed lopend bedrijf achter.
Limburgs
Uitspraak
| enkelvoud | meervoud | ||
|---|---|---|---|
| bepaald | geheel | achtere | achterer |
| gemut. | - | - | |
| onbepaald | geheel | achter | achter |
| gemut. | - | - | |
Voorzetsel
achter + accusatief/datief
- (Hooglimburgs) achter.
- (Hooglimburgs) na.
- «Achter vief oere, den aere 'ch bie dich.»
- Na vijf uur ben ik bij jou.
- «Achter vief oere, den aere 'ch bie dich.»