voordeur
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- voor·deur
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | voordeur | voordeuren |
| verkleinwoord | voordeurtje | voordeurtjes |
Zelfstandig naamwoord
- de hoofddeur aan de voorzijde van een woning
Vertalingen
1. de hoofddeur aan de voorzijde van een woning