voorschieten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Woordafbreking
  • voor·schie·ten

Werkwoord

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
voorschieten
schoot voor
voorgeschoten
klasse 2 volledig

voorschieten

  1. (ditransitief) iemand een geldbedrag geven dat later verrekend zal worden
    Hij kreeg het bedrag van zijn baas voorgeschoten.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen