voorschieten
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- voor·schie·ten
Werkwoord
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| voorschieten |
schoot voor |
voorgeschoten |
| klasse 2 | volledig | |
voorschieten
- (ditransitief) iemand een geldbedrag geven dat later verrekend zal worden
- Hij kreeg het bedrag van zijn baas voorgeschoten.