voordeel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • voor·deel
enkelvoud meervoud
naamwoord voordeel voordelen
verkleinwoord voordeeltje voordeeltjes

Zelfstandig naamwoord

voordeel o [1] [2]

  1. profijt.
    De onrust op de aandelenmarkt was in zijn voordeel.
  2. aangename eigenschap
    Een voordeel van een motorfiets is het lage benzineverbruik per kilometer.
  3. (tennis) term die aangeeft dat een speler bij een 40-40-stand een punt heeft gescoord en dus maar één punt verwijderd is van de winst van een game
    De befaamde Belgische tennister serveerde met voordeel voor de wedstrijd.
  4. het aan de voorkant gelegen deel
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. Woordenboek der Nederlandse taal
  2. Woordenboek der Nederlandse taal