voorlichten
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- voor·lich·ten
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| voorlichten |
lichtte voor |
voorgelicht |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
voorlichten
- (overgankelijk) iemands pad belichten, bijschijnen
- Ze slofte de donkere gang door en met de kandelaar in de hand lichtte zij mij voor.[1]
- (overgankelijk) iemand instructie geven, leren hoe met iets omgegaan moet worden
- De gedupeerden vinden dat ze onvoldoende zijn voorgelicht over de risico's van die beleggingen.
Vaste voorzetsels
- [2] voorlichten over
Verwijzingen
- ↑ blz 142, De stille man
door Albert Van Hoogenbemt
Uitgegeven door Querido, 1938 ISBN 90-5240-543-3
Zelfstandig naamwoord
voorlichten mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord voorlicht