eens
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- ééns
-
- IPA: /ens/
- eens
-
- IPA: /əns/
Woordafbreking
- eens
Woordherkomst en -opbouw
- Genitief van een.
| stellend | |
|---|---|
| onverbogen | eens |
| verbogen | (alleen predicaat) |
Bijvoeglijk naamwoord
ééns
- alleen predicatief: het ~ zijn/worden over tot een vergelijk komen
- Zij konden het er niet over eens worden.
Uitdrukkingen en gezegden
Het eens zijn.
Vertalingen
het eens zijn
|
Bijwoord
ééns
- op enigerlei tijd in het verleden.
- Eens was dat een rijke stad.
- op een bepaald tijdstip in de toekomst.
- Eens zal hij daar spijt van krijgen.
eens
- modaal bijwoord dat een uitzondering of een voorstel uitdrukt.
- Daar moet hij eens mee ophouden.
- Zal ik eens koffie zetten?
Lidwoord
- (verouderd) van een
- De gelijkenis nu van hun aangezicht was het aangezicht eens menschen en het aangezicht eens leeuws hadden zij vier aan de rechterzijde.[1]
Verwijzingen
- ↑ Ezechiel 1:10
Bijbel: dat is de gansche Heilige Schrift vervattende al de kanonieke boeken des Ouden en Nieuwen Testaments
Amerikaansch Bybelgenootschap, 1816