hand

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken
Hand

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hand
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hand handen
verkleinwoord handje handjes

Zelfstandig naamwoord

hand v

  1. (anatomie) uiterste deel van de arm, voorbij de pols.
    Zij heeft in haar hand een groot boek.
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Spreekwoorden
Vertalingen

Meer informatie


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
hand hands

Zelfstandig naamwoord

hand

  1. (anatomie) hand.

Werkwoord

vervoeging
onbepaalde wijs to hand
he/she/it hands
verleden tijd handed
voltooid
deelwoord
handed
onvoltooid
deelwoord
handing
gebiedende wijs hand

hand

  1. overhandigen
  2. reiken
Uitdrukkingen en gezegden

at hand

  1. dichtbij

to lend a hand

  1. helpen

shake hands

  1. de handen schudden



Zweeds

Zelfstandig naamwoord

hand g

  1. (anatomie) hand; uiterste deel van de arm, voorbij de pols.
Persoonlijke instellingen