ploeg

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ploeg
enkelvoud meervoud
naamwoord ploeg ploegen
verkleinwoord ploegje ploegjes

Zelfstandig naamwoord

ploeg v/m

  1. (landbouw) landbouwwerktuig om de grond om te woelen
  2. groep personen (bijv. arbeiders, sporters) met een gemeenschappelijk doel
  3. ploegendienst
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
ploegen

ploeg

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ploegen
    Ik ploeg.
  2. gebiedende wijs van ploegen
    Ploeg!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ploegen
    Ploeg je?

Meer informatie