ploeg
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ploeg
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | ploeg | ploegen |
| verkleinwoord | ploegje | ploegjes |
Zelfstandig naamwoord
- landbouwwerktuig om de grond om te woelen
- groep personen (bijv. arbeiders, sporters) met een gemeenschappelijk doel
- ploegendienst
Synoniemen
- 2. equipe, team
- 3. ploegendienst
Vertalingen
1. landbouwwerktuig
2. groep personen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| ploegen |
ploeg
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ploegen
- Ik ploeg.
- gebiedende wijs van ploegen
- Ploeg!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ploegen
- Ploeg je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.