welgemutst

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wel·ge·mutst
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen welgemutst
verbogen welgemutste
partitief welgemutsts

Bijvoeglijk naamwoord

welgemutst [1]

  1. in een goede stemming
    • Manager Eric Wilhelm (inderdaad Duitse voorouders) zadelt iedere ochtend welgemutst een aantal van zijn 30 viervoeters op voor de gasten. Met zijn indrukwekkende snor onder zijn cowboyhoed heb je ook het idee dat hij zich nergens beter thuis voelt dan op een paardenrug. [2] 
    • Bij het treinstation aan de rand van de dorpskom werpt Szín een afkeurende blik op het twintigtal mensen die tegen de motorkap van hun auto’s leunen. Bejaarden, kinderen en hun ouders: welgemutst strooien ze voedselresten op de plaats waar de straatverlichting het beton tussen zes vuilcontainers beschijnt. [3] 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.


Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. De Telegraaf KENNETH STAMP 22 sep. 2012 Zomertijd in Colorado
  3. NRC Roeland Termote 29 augustus 2017 Als de avond valt, is het dorp van de beer