wie

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wie
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: wie
Oudnederlands: wie
Germaans: *hwaz
Indo-Europees: *kʷós, *kʷís
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: who, what, why (Angelsaksisch: hwā, hwæt, hwȳ), Duits: wer, was, wie, (Oudhoogduits: wēr, waz, wiu), Fries: wa, wat (Oudfries: hwā, hwet)
Noord: Zweeds: vem, Deens/Noors: hvem, (Oudnoors: hvar, hver, hverr), IJslands: hver, hvað, hví, Faeröers: hvør, hvat, hví
Oost: Gotisch: hwas, hwa, hwe

Vragend voornaamwoord

wie

  1. vragend voornaamwoord dat vraagt naar een persoon
    Wie is daar?

Betrekkelijk voornaamwoord

wie

  1. betrekkelijk voornaamwoord met ingesloten antecedent: degene die
    Wie zoekt, die vindt.
Vertalingen


Duits

Uitspraak

Voegwoord

wie

  1. zoals
  2. hoe


Gronings

Uitspraak
  enkelvoud meervoud
onderwerp voorwerp onderwerp voorwerp
1e persoon (ik)
k
mie wie os
2e persoon
(informeel)
doe die joe joe
2e persoon
(formeel)
joe joe joe joe
3e persoon
(mannelijk)
hai hom zai
zie
heur
3e persoon
(vrouwelijk)
zai
zie
heur
3e persoon
(onzijdig)
t t

Persoonlijk voornaamwoord

wie

  1. wij


Limburgs

Uitspraak
  • IPA: /(x)wiː/ (Etsbergs)

Bijwoord

wie (bijvormen: wie-r, wie-n, wie-s, wie-z)

  1. hoe

Voegwoord

wie

  1. zoals
  2. hoe