bron

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bron
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘uit de grond opwellend water’ voor het eerst aangetroffen in 1605 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord bron bronnen
verkleinwoord bronnetje bronnetjes

Zelfstandig naamwoord

bron v/m

  1. daar waar men informatie vandaan haalt
    • De journalist beschermde zijn bron heel zorgvuldig. 
  2. het begin van een waterloop
    • De bron van een rivier is waar de rivier begint. 
  3. een plaats waar water uit de grond komt
    • Uit deze bron kwam zuiver, helder drinkwater.> 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Welsh

Zelfstandig naamwoord

bron

  1. (anatomie) borst


Bijwoord

bron

  1. bijna