mag

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mag

Werkwoord

vervoeging van
mogen

mag

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van mogen
  2. gebiedende wijs van mogen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Een glas mag.
Vertalingen


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord mag magte

Zelfstandig naamwoord

mag

  1. (wiskunde) macht
    «Die derde mag van twee is agt.»
    De derde macht van twee is acht.


Frans

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

mag m

  1. (spreektaal) magazine, tijdschrift
    «Passe-moi un mag que je puisse bouquiner dans les chiottes.»
    Geef me een tijdschrift zodat ik op de plee wat te lezen heb. [1]

Verwijzingen


Hongaars

Zelfstandig naamwoord

mag

  1. (plantkunde) zaad


Wolof

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

mag

  1. volwassene
  2. oudere broer
  3. ouder persoon

Werkwoord

mag

  1. groot zijn.