welgevallig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wel·ge·val·lig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen welgevallig welgevalliger welgevalligst
verbogen welgevallige welgevalligere welgevalligste
partitief welgevalligs welgevalligers -

Bijvoeglijk naamwoord

welgevallig

  1. dat hij iets heel goed vindt, dat iets je goed bevalt
    • Deze ontwikkeling is hem zeer welgevallig en hij zal haar dan ook zeker ondersteunen. 

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
88 % van de Vlamingen.