welwater

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wel·wa·ter
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord welwater welwaters
verkleinwoord welwatertje welwatertjes

Zelfstandig naamwoord

welwater o

  1. water dat uit de grond welt.

Gangbaarheid

69 % van de Nederlanders;
40 % van de Vlamingen.

Meer informatie