welsprekend

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

[2] een welsprekend gebaar
Uitspraak
Woordafbreking
  • wel·spre·kend
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen welsprekend welsprekender welsprekendst
verbogen welsprekende welsprekendere welsprekendste
partitief welsprekends welsprekenders -

Bijvoeglijk naamwoord

welsprekend [1]

  1. goed, overtuigend en meeslepend (in het openbaar) kunnen spreken
    • SGP-fractievoorzitter Kees van der Staaij is de beste spreker van de Tweede Kamer. Hij kreeg donderdagavond de Thorbeckeprijs voor politieke welsprekendheid uitgereikt door de voorzitter van de Tweede Kamer, Khadija Arib.[2] 
    • Een paar jaar geleden stond Moszkowicz nog op grote hoogte. Hij was bekend als de advocaat die met grote doses flair, durf en welsprekendheid tal van zware jongens bijstond: van 'Hakkelaar'Johan V. tot de Surinaamse legerleider Desi Bouterse. In de zaak-Holleeder kwam hij weliswaar in de problemen, maar met de succesvolle verdediging van PVV-leider Geert Wilders revancheerde hij zich.[3] 
  2. (figuurlijk) het fraai, overtuigend en meeslepend kunnen brengen van een boodschap ongeacht de manier waarop
    • Animaties verbeelden zijn emoties en herinneringen op een poëtische manier en blijken in veel gevallen welsprekender dan de kaper zelf. Toch werpen de makers juist door de combinatie van deze beelden een nieuw licht op het piratenprobleem. Hun aanpak beperkt zich niet tot film: op lasthijack.com zorgen zij vanuit verschillende perspectieven voor nog meer doortekening.[4] 
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf 24 nov. 2016
  3. de Telegraaf 08 feb. 2015
  4. de Telegraaf MARCO WEIJERS 24 apr. 2014