welstand

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wel·stand
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord welstand welstanden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

welstand m [2]

  1. een toestand van algeheel welbevinden waarin er geen sprake is van lichamelijk letsel of ziekte
    • De vergrijzing laat zijn sporen na. En er komt nog meer aan: Nederlanders die vorig jaar 65 jaar waren, leven gemiddeld nog bijna 20 jaar, meldde het CBS. Onze welstand verlengt ons bestaan – en dat van het zorghotel.[3] 
  2. het overvloed aan geld, land, grondstoffen, bezittingen en/of eigenschappen
    • Zonder ‘behoefte’ aan partneralimentatie, geen alimentatie. Behoefte wordt gerelateerd aan de welstand van het huwelijk. Hoe hoger deze is, hoe hoger de alimentatie. Maatstaf is dus niet het kunnen voorzien in de noodzakelijke maandelijkse lasten zoals vaak wordt gedacht.[4] 
    • Het is opvallend dat men voortdurend ouderen op de korrel neemt terwijl twintigers het grootste gevaar op de weg vormen en de meeste ongelukken veroorzaken. Zie de torenhoge verzekeringspremies voor die categorie. Waar komt die anti-ouderen houding eigenlijk vandaan? Afgunst wellicht, over vermeende welstand van die groep Nederlanders?[5] 
  3. overeenkomend met de goede smaak
    • Rondvaartboten moeten bij een nieuwe vergunningaanvraag of bij verbouwingen aan nieuw vastgesteld welstandsbeleid voldoen. De welstandscriteria volgen de zes algemene criteria van Amsterdams welstandsbeleid voor gebouwen en woonboten. Scheepsvormen als donuts, badkuipen, klompen, andere gekke vormen of de bierwaterfiets zijn verboden.[6] 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. de Telegraaf RENÉ STEENHORST 13 nov. 2017
  4. de Telegraaf MARJET GROENLEER 10 jan. 2018
  5. de Telegraaf 04 sep. 2017
  6. de Telegraaf 31 mrt. 2017