welbehagen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wel·be·ha·gen
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord welbehagen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

welbehagen o

  1. de vreugde die veroorzaakt wordt door iets wat je als aangenaam ervaart
    • En een jaarwisseling zonder drankmisbruik en vechtpartijen, zonder miljoenen euro’s aan schade door zinloze vernielingen en brandstichtingen, zonder gestreste huisdieren, zonder molestatie en bekogeling met vuurwerk van politie en hulpverleners, zonder hevig geknal tot diep in de nacht maar met een gezellig feest met familie en vrienden en om middernacht een toost op een gelukkig en gezond 2018 en een stille nacht met vrede op aarde en in de mensen een welbehagen. Dat wil toch iedereen.[2] 
    • „Sinds de Anne Frank-boom is gekapt, is het de bekendste boom van Nederland. Volle kruin, uitstekende takken, precies zoals een kind een boom tekent. Twee keer daags passeer ik hem op de rit van Eindhoven naar Hendrik-Ido-Ambacht en terug. Dan denk ik ‘ha, daar is-ie weer’, hij geeft me welbehagen. Altijd mooi, in de zon, de mist, de sneeuw. Mijn levende kalender van de vier jaargetijden.[3] 
  2. (religie) het welgevallen dat god heeft in zichzelf, zijn zoon en de mensheid
    • Er verscheen een engel te midden van een grote hemelse heirschare of legermacht die o.m. luid verklaarde: ’Vrede op aarde, in de mensen een welbehagen[4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf 04 dec. 2017
  3. de Telegraaf 18 feb. 2017
  4. (Lucas 2: vs 14)