Naar inhoud springen

afhangen

Uit WikiWoordenboek
  • af·han·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afhangen
hing af
afgehangen
klasse 7 volledig

afhangen

  1. onpersoonlijk ~ van: naargelang iets verandert mee veranderen
  2. bepaald worden door
    • Het hangt van het weer af of deze wedstrijd doorgang kan vinden. 
     Ik had me bij het schrijven echter al te lang laten leiden door de goedkeuring van een publiek, deze keer zou ik niet alles laten afhangen van de reactie van mijn lezer.[2]
  3. overgankelijk deur of raam aan scharnieren ophangen
    • De timmerman hangt het raam af aan de kozijnstijl. 
98 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[3]
  1. afhangen op website: Etymologiebank.nl
  2. Jessie Burton (vert.Marja Borg)
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be