afhangen
Uiterlijk
- af·han·gen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| afhangen |
hing af |
afgehangen |
| klasse 7 | volledig | |
afhangen
- onpersoonlijk ~ van: naargelang iets verandert mee veranderen
- bepaald worden door
- Het hangt van het weer af of deze wedstrijd doorgang kan vinden.
- ▸ Ik had me bij het schrijven echter al te lang laten leiden door de goedkeuring van een publiek, deze keer zou ik niet alles laten afhangen van de reactie van mijn lezer.[2]
- overgankelijk deur of raam aan scharnieren ophangen
- De timmerman hangt het raam af aan de kozijnstijl.
1. ~ van: naargelang iets verandert mee veranderen
- Het woord afhangen staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "afhangen" herkend door:
| 98 % | van de Nederlanders; |
| 98 % | van de Vlamingen.[3] |
- ↑ afhangen op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Jessie Burton (vert.Marja Borg)“De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024574704 - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 8
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Samenstelling in het Nederlands
- Sterk werkwoord klasse 7 in het Nederlands
- Werkwoord in het Nederlands
- Scheidbaar werkwoord in het Nederlands
- Onpersoonlijk werkwoord in het Nederlands
- WikiWoordenboek:Pagina's die ISBN magische koppelingen gebruiken
- Overgankelijk werkwoord in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 98 %
- Prevalentie Vlaanderen 98 %