afhangen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·han·gen
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstelling van hangen met het voorvoegsel af-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afhangen
hing af
afgehangen
klasse 7 volledig

Werkwoord

afhangen

  1. (onpersoonlijk) ~ van: naargelang iets verandert mee veranderen
    Het hangt van het weer af of deze wedstrijd doorgang kan vinden.
  2. (overgankelijk) deur of raam aan scharnieren ophangen
    De timmerman hangt het raam af aan de kozijnstijl.
Vertalingen