afhangen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·han·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afhangen


hing af


afgehangen


klasse 7 volledig

Werkwoord

afhangen

  1. (onpersoonlijk) ~ van: naargelang iets verandert mee veranderen
  2. bepaald worden door
    Het hangt van het weer af of deze wedstrijd doorgang kan vinden.
  3. (overgankelijk) deur of raam aan scharnieren ophangen
    De timmerman hangt het raam af aan de kozijnstijl.
Vertalingen