schuifdeur

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Schuifdeur hangend aan een rail
Een kledingkast met schuifdeuren
Uitspraak
Woordafbreking
  • schuif·deur
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord schuifdeur schuifdeuren
verkleinwoord schuifdeurtje schuifdeurtjes

Zelfstandig naamwoord

schuifdeur v/m [2]

  1. een deur die uit één of meer beweegbare delen bestaat, en die bij het openen en sluiten zijwaarts beweegt
    • Immigratieadvocaat Mirriam Saddiq, de organisator van de advocaten in Dulles, heeft al drie dagen nauwelijks geslapen. „Ik ben hier om de Grondwet te verdedigen”, zegt ze, nadat ze een reiziger te woord heeft gestaan. De energieke Saddiq, zelf ooit een vluchteling uit Afghanistan, kan weinig doen. Ze mag vastgehouden reizigers niet bezoeken, en krijgt zelfs niet te horen of er nog mensen vastzitten aan de andere kant van de schuifdeur. Ze hoort verhalen aan van reizigers uit andere islamitische landen. Die vertellen dat ze extra ondervraagd worden, en urenlange vertragingen oplopen. „Het werk wordt steeds moeilijker, mensen worden banger. Niemand weet wie wel en niet onder het decreet valt. Door die angst vertrouwen ze ons ook niet meer.” [3] 
Antoniemen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • tussen de schuifdeuren
van een optreden dat het voor een zeer beperkt gezelschap is

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen