deurgat

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

deurgat met deur
Uitspraak
Woordafbreking
  • deur·gat
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord deurgat deurgaten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

deurgat o [1]

  1. opening in een muur die door een deur afgesloten kan worden
    • 'Wyatt had Noelle gevraagd hoeveel chemobehandelingen mijn dochter met dat geld kon krijgen', vertelt Trisha. 'Hij stond er absoluut op om zijn prijzengeld weg te schenken om zijn buurmeisje te helpen. Cara is trouwens weg van Wyatt. Hij komt vaak bij mijn zoon spelen. Die is ook acht jaar. Telkens Wyatt zijn hoofd in het deurgat steekt, heeft Cara een lach tot achter haar oren'.[2] 
    • Baby Abolfazi wordt door zijn vader boven de menigte omhoog gehouden voor het deurgat. Een familielid in de trein pakt het kind aan.[3] 
Synoniemen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen