dorpel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
3=boven-, 4=tussen, 5=onderdorpel

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dor·pel
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘drempel’ voor het eerst aangetroffen in 701 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord dorpel dorpels
verkleinwoord dorpeltje dorpeltjes

Zelfstandig naamwoord

dorpel m

  1. (bouwkunde) het horizontale gedeelte van een kozijn tussen de verticale stijlen
    • De houten dorpel was helemaal verrot als gevolg van slecht onderhoud. 
  2. (Limburg) verkeersdrempel.
    • Hij vloog met zijn wagen hard over de dorpel heen. 
Hyponiemen
Verwante begrippen

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Achterhoeks

enkelvoud meervoud
naamwoord dorpel dorpels
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

dorpel

  1. (bouwkunde) drempel; verhoging bij deur
Schrijfwijzen
Synoniemen


Nedersaksisch

enkelvoud meervoud
naamwoord dorpel dorpels
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

dorpel

  1. (bouwkunde) drempel; verhoging bij deur
Schrijfwijzen
Synoniemen