muur

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

[A 1.] muur
Uitspraak
Woordafbreking
  • muur
Woordherkomst en -opbouw
  • [A] ‘metselwerk’; aangetroffen vanaf 901 [1]; leenwoord uit Latijn mūrus.[2]
  • [B] ‘kruidachtige plant’; uit vroeger muer(kruyd), uit Middelnederlands miere, mure v, ontwikkeld uit Oergermaans *meurja- o,[3] verdere herkomst onbekend.[4] Evenals Nederduits Mier, Duits dial. Miere, Meier en Fries mier, mierre.
1 enkelvoud meervoud
naamwoord muur muren
verkleinwoord muurtje muurtjes

Zelfstandig naamwoord

[A] muur m

  1. (bouwkunde) verticale vlakke constructie van steen [2]
    • Op deze oude muur is een al bijna even oude schildering te zien. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Spreekwoorden
  • De muren hebben oren
let op wat je zegt, iedereen kan het horen
  • Gekken en dwazen schrijven hun namen op muren (of deuren) en glazen
mensen die het minst te melden hebben, schreeuwen vaak het hardst
  • Iemand van het kastje naar de muur sturen
iemand aan het lijntje houden, altijd ergens anders naartoe sturen ofwel: niemand die hem wil helpen en hem steeds maar doorstuurt
  • Met de rug tegen de muur staan
geen kant op kunnen, hooguit een laatste uitweg
  • Met het hoofd tegen de muur lopen
mislopen
Vertalingen
2 enkelvoud meervoud
naamwoord muur -
verkleinwoord muurtje muurtjes

Zelfstandig naamwoord

[B 1.] Stellaria media

[B] muur v / m

  1. kruidachtige plant uit de anjerfamilie Caryophyllaceae op Wikispecies (of oude opvatting: van het geslacht Stellaria op Wikispecies) [4]
    • Muur kun je ook door de sla doen. 
Synoniemen
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen