wassen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
[1] De handen wassen.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • was·sen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
wassen
waste
gewassen
1,2. gemengd volledig
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
wassen
wies
gewassen
3. klasse 7 volledig
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
wassen
waste
gewast
4. zwak -t volledig

Werkwoord

wassen

  1. (overgankelijk) iets met water of een andere vloeistof zuiveren
    Het afgefilterde neerslag werd met alcohol gewassen.
  2. (wederkerend) zich ~; zichzelf met water schoonmaken
    Hij waste zich met zeep.
  3. (ergatief) (aan)groeien, stijgen, voornamelijk i.v.m. de maan of een waterloop
    De rivier wies door de plotselinge regenval.
  4. (overgankelijk) van een laag (bijen)was voorzien
    Voor hij de piste opging zorgde hij ervoor dat zijn ski's gewast werden.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Als de ene hand de ander wast worden ze allebei schoon.
wanneer je samenwerkt en elkaar helpt, is hetgeen gebeuren moet sneller gedaan
  • Dat wast al het water van de zee niet af.
iets is niet meer te veranderen/aan te passen
  • Ergens geen kruid tegen gewassen zijn
ongeneeslijk zijn
  • Goed in de slappe was zitten
veel geld hebben
  • Het varkentje wassen
een klusje wel even doen
  • Iemand de oren wassen
iemand zeggen wat die fout gedaan heeft
  • Uit de kluiten gewassen zijn
Erg stevig en groot zijn
  • Zijn handen in onschuld wassen
doen alsof hij geen schuld heeft
Vertalingen
stellend
onverbogen (alleen
attributief)
verbogen wassen

Bijvoeglijk naamwoord

wassen

  1. van was gemaakt
    Een wassen beeld.
Uitdrukkingen en gezegden
  • Een wassen neus

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Zelfstandig naamwoord

wassen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord was