opwassen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·was·sen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opwassen
wies op
opgewassen
klasse 7 volledig

Werkwoord

opwassen

  1. ergatief groot worden
    • Donald Slovik was de jongen
      van een Poolse emigrant,
      die, door broodsgebrek gedwongen,
      uitweek naar ‘t Beloofde Land.

      Hij wies op in armenwijken
      als de zondebok der school
      want boefjes, zijn gelijken,
      negeerden de schuwe Pool..[1]
       

Gangbaarheid

82 % van de Nederlanders;
82 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. De Roode Burcht 1963