wasplaats

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

wasplaats voor militairen
Uitspraak
Woordafbreking
  • was·plaats
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord wasplaats wasplaatsen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

wasplaats v/m [1]

  1. locatie waar men zich kan wassen en / of de was kan doen
    • Zijn collega’s, die in de schemer op badslippers tussen de wasplaats en het tentenkamp pendelen, zijn al net zo opgewonden. „Wat we hier meemaken, kan in Nederland niet meer”, zegt luitenant Stephan. „Enorme schietbanen. En de munitie lijkt wel onuitputtelijk! Vooral de Tsjechen blijven maar doorkomen met patronen!” [2] 
Synoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen