waslijst

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • was·lijst
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord waslijst waslijsten
verkleinwoord waslijstje waslijstjes

Zelfstandig naamwoord

waslijst v/m [1]

  1. inventaris van alle textiel (die men moet wassen)
  2. een lange opsomming
    • Als je de encyclopedie er op naslaat krijg je een waslijst aan definities. De mooiste vind ik de volgende. Geduld is de eigenschap dat je kunt afwachten.[2] 
    • De partij heeft inmiddels een waslijst aan klachten richting Arib en haar vervangers. Zo suggereerde fractieleider Tunahan Kuzu dat Arib haar partijgenoot Lodewijk Asscher in een debat voortrok. Ook D66 zou veel meer ruimte krijgen dan de Kamerleden van Denk. „Dat gebeurt struc-tu-reel. En daar heb ik moeite mee”, zei Kuzu vorig jaar.[3] 
    • Het gesprek geeft de culturele kloof weer, die maar moeilijk is te overbruggen. Bedoeïenen komen met een waslijst van verklaringen waarom polygamie goed zou zijn. Zo ook Atieh al-Asam, hoofd van een regionale raad. Gehurkt in een tent, in een illegaal gebouwd dorpje, probeert hij onder het genot van een kop thee het bezoek duidelijk te maken dat er helemaal niets mis is met veelwijverij.[4] 
    • Tijdelijke leden hebben de neiging om een waslijst aan doelen te formuleren voor dat geopolitieke buitenkansje. Ook Nederland is niet terughoudend met ambitie, zo bleek uit een recente Kamerbrief van de ministers Zijlstra (VVD, Buitenlandse Zaken ) en Kaag (D66, Handel en Ontwikkeling). Zelden werden zoveel goede bedoelingen in een korte brief gestopt.[5] 


Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.


Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf NICO BAKKER 24 jan 2018
  3. de Telegraaf 10 jan. 2018
  4. de Telegraaf RALPH DEKKERS 29 dec. 2017
  5. NRC Michel Kerres 29 december 2017