wasmand

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
1. Metalen wasmand

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • was·mand
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord wasmand wasmanden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

wasmand v/m [1]

  1. mand gemaakt en gebruikt om de vuile kleding in te verzamelen voordat ze gewassen wordt
    • Voordat de huisman de was ging doen vroeg hij aan alle huisgenoten de vuile was in de wasmand te doen. 
    • Martinique: „I go with the flow in het huishouden. Als ik denk: het is weer nodig, dan ga ik aan de slag. Door mijn katten stofzuig ik wel twee of drie keer in de week. Wassen doe ik meestal pas op het moment dat alles in de wasmand zit en ik de kleding echt nodig heb. Wat wel altijd op een vast tijdstip gebeurt: lunchen, om half 1. Ik weet niet waarom ik daar altijd zo op sta. Meestal maak ik boterhammen met kaas en worteltjes, die ik voor de televisie opeet. Ik houd vooral van crime series.” [2] 
    • Op een zaterdagochtend besloot Luc dat we niet meer verder konden leven zonder een wasmand. We hadden geen koffiekopjes (we dronken koffie uit glazen), we hadden geen bed (we sliepen op een futon) en er was geen vuilnisemmer. Meubels en bestek had ik uit Arnhem meegenomen. Luc bezat een paar oude boeken die hij uit een bibliotheek van de Sorbonne had meegenomen. Hij kocht voor mij de Korg en hij had een ijskast gekocht, het grootste model met een enorm vriesvak. Dat alles leek me wel voldoende. Het stoorde me niet dat we geen wasmand hadden. [3] 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Charlotte van 't Wout 26 augustus 2016
  3. Sandes, David De wondermethode 2006 ISBN 9044509543 pagina 67
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be