afwassen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Afwassen [1]

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·was·sen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afwassen
waste af
afgewassen
zwak -t

gemengd

volledig

Werkwoord

afwassen

  1. overgankelijk het schoonmaken van de vaat, zoals, messen, vorken, lepels, borden
    • We waren om zeven uur aan het afwassen. 
     Iedereen had duidelijke taken, ik moest altijd afwassen. Het afwaswater werd tijdens het eten op het vuur verwarmd waarmee ik na de maaltijd de aangekoekte pannen schoon schrobde.[1]
  2. overgankelijk ~ van iets ergens van af wassen
    • Hij was zojuist de schmink van zijn gezicht aan het afwassen. 
     Nadat ik wat gedronken had sprong ik het meer in met al mijn kleren om het zweet en het stof van me af te wassen.[1]
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

afwassen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord afwas

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. 1,0 1,1 Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be