stijgen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stij·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
stijgen
steeg
gestegen
klasse 1 volledig

Werkwoord

stijgen

  1. (ergatief) naar boven gaan, toenemen
    De heteluchtballon steeg langzaam.
    De koersen zullen niet stijgen, eerder dalen.
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen