wasteil

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

[2] wasteil
[3] met de voeten in een (af)wasteiltje
Uitspraak
Woordafbreking
  • was·teil
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord wasteil wasteilen
verkleinwoord wasteiltje wasteiltjes

Zelfstandig naamwoord

wasteil v/m [1]

  1. bak met water waarmee je jezelf kunt wassen
  2. een grote bak waarin je de was kunt doen
  3. kleinere bak waarin je de afwas kunt doen
    • Militairen halen eerst de kinderen van het gammele bootje: Het meisje heeft de naam Gelila gekregen. Dit betekent volgens haar moeder 'from the ocean'. Nooit eerder is er een vrouw bevallen op een Nederlands marineschip. Medisch personeel moest dus het nodige improviseren; zo is van een Curver wasteil een wiegje voor het meisje gemaakt. "Maar je moet er niet aan denken dat de vrouw zonder privacy op die andere boot had moeten bevallen", zegt een woordvoerster van de marine. [2] 
    • Neef Gijs is chefkok [sic!], ik stuur hem een wanhopige app: hoeveel eten moet je maken voor 100 mensen? '100 gram pasta per persoon', stuurt hij terug, '50 gram eiwit, 200 gram groente, 20 gram dressing.' Goed, dat is een handleiding. En zo sta ik op woensdagochtend 10 kilo tomaten te ontvellen en in stukjes te snijden, 10 komkommers ondergaan hetzelfde lot, 5 kilo rode uien, 10 kroppen rucola, 5 kilo feta. Mijn keuken is een slagveld van rond spattend tomatensap en wasteilen vol gekookte penne. [3] 
Synoniemen
Afgeleide begrippen


Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.


Verwijzingen