wasspeld

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

wasspelden
Uitspraak
Woordafbreking
  • was·speld
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord wasspeld wasspelden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

wasspeld v/m

  1. klem waarmee men de was aan een waslijn vastmaakt bij het drogen van de was
    • Andere onderzoekers hebben reeds giststammen gecreëerd die polyesters maken. Daarmee kan een 3D-printer weer plastic onderdelen produceren. Al heb je voorlopig een duizend-litertank gist nodig om één wasspeld te maken. ‘Maar dat kan beter.’ Al was het maar door de gist ook met astronautenkak te voederen. Daar zijn weer andere onderzoekers mee bezig.[1] 
    • Kan je niet zo goed overweg met eetstokjes? Dan kan je valsspelen met een wasspeld. Verwijder de veer tussen de houten pennen en plaats ze tussen je eetstokjes zodat ze net als een wasspeld automatisch dichtklemmen rond je favoriete wokschotel.[2] 
    • Soms wou ik dat ik een lapje wasgoed met een neus erop was. Dan kon ik me laten wassen en vervolgens fladderend drogen in de zon, met twee wasspelden aan mijn tenen, en daarna de hele dag aan mezelf ruiken. Is het sociaal onaangepast om je als volwassen man te wassen met wasmiddel, misschien zelfs wat wasverzachter op de ruwe plekjes?[3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

55 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen