vrij

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: vrij.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vrij
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen vrij vrijer vrijst
verbogen vrije vrijere vrijste
partitief vrijs vrijers -

Bijvoeglijk naamwoord

vrij

  1. niet de genoemde tekortkoming hebbend, niet onderhevig aan, ongevoelig voor, zonder b.v. accijnsvrij, loodvrij etc.
  2. ongebonden, niet in beweging beperkt
  3. beschikbaar
  4. gratis
  5. niet vallend onder of beperkt door een bepaald gezag, jurisdictie
  6. vrijmoedig
  7. (van onderwijs) niet van de overheid uitgaand, niet openbaar
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als bijwoord.

Bijwoord

vrij

  1. tamelijk
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord vrij -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

vrij m

  1. vrijloop
    Piet, gooi hem even in de vrij
  2. (afkorting), (tijdrekening), (dag) vrijdag, de vijfde dag van de werkweek
    «Open: di, woe, do, vrij; dicht: zat, zo, ma.»
    Geopend op dinsdag, woensdag, donderdag en vrijdag; gesloten op zaterdag, zondag en maandag.
Opmerkingen
  • [2] Echte afkortingen worden als regel met een punt geschreven: vrij., maar in opsommingen waar uit de context al duidelijk is dat het om de naam van een weekdag gaat is het gebruikelijk om de punt weg te laten[3].
Schrijfwijzen

Werkwoord

vervoeging van
vrijen

vrij

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vrijen
    Ik vrij.
  2. gebiedende wijs van vrijen
    Vrij!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vrijen
    Vrij je?

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal
  3. Afkortingen van de dagen van de week op website: taaladvies.net; geraadpleegd 2016-10-26