gastvrij

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gast·vrij
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘mild gasten onthalend’ voor het eerst aangetroffen in 1542 [1]
  • samenstelling van  gast zn  en  vrij bn  (vrij = gul) [2]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen gastvrij gastvrijer gastvrijst
verbogen gastvrije gastvrijere gastvrijste
partitief gastvrijs gastvrijers -

Bijvoeglijk naamwoord

gastvrij

  1. gul in het onthalen of herbergen van gasten
    • Er stond ons een gastvrije verwelkoming te wachten in ons gastgezin. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen