vrijgevig

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vrij·ge·vig
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen vrijgevig vrijgeviger vrijgevigst
verbogen vrijgevige vrijgevigere vrijgevigste
partitief vrijgevigs vrijgevigers -

Bijvoeglijk naamwoord

vrijgevig

  1. gul.
    Dat is een vrijgevig persoon; hij gaf veel aan de liefdadigheidsinstantie.
Vertalingen