Naar inhoud springen

vlot

Uit WikiWoordenboek
  • vlot
  • In de betekenis van ‘drijvend plankier’ voor het eerst aangetroffen in 1485 [1] [2] [3]
enkelvoud meervoud
naamwoord vlot vlotten
verkleinwoord vlotje vlotjes

hetvloto

  1. een drijvende constructie
     Met denkbeeldige oogkleppen op Veel bewoners van de benedendijks gelegen straatjes konden zondagochtend 1 februari, toen tijdens eb de dijk droog kwam te staan, met het eerste in elkaar geknutselde vlot van hun zolders worden gehaald.[4]
     Van wrakhout wisten de mannen een vlot in elkaar te timmeren en daarmee konden die dag verschillende buurtbewoners worden gered.[4]
stellendvergrotendovertreffend
onverbogen vlotvlottervlotst
verbogen vlottevlotterevlotste
partitief vlotsvlotters-

vlot

  1. gemakkelijk, eenvoudig, zonder veel problemen
vervoeging van
vlotten

vlot

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van vlotten
  2. gebiedende wijs van vlotten
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[5]