vrijgezel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vrij·ge·zel
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘ongehuwde man of vrouw’ voor het eerst aangetroffen in 1747 [1]
  • samenstelling van  vrij   en  gezel  
enkelvoud meervoud
naamwoord vrijgezel vrijgezellen
verkleinwoord vrijgezelletje vrijgezelletjes

Zelfstandig naamwoord

vrijgezel m

  1. een ongehuwde man of vrouw
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
stellend
onverbogen vrijgezel
verbogen vrijgezelle

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als bijvoeglijk naamwoord.

Bijvoeglijk naamwoord

vrijgezel

  1. zonder levenspartner
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen