vrijschop

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vrij·schop
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vrijschop vrijschoppen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

vrijschop m

  1. (voetbal) vrije schop bij voetballen
    • „Het slot was ongelooflijk:, tekende Sporza op uit de mond van Courtois. „Ik maakte op het einde nog een save op die vrijschop van Honda. Ik hoorde zeggen dat die bal niet zwabbert, maar die zwabbert wel. Ik kon er maar net bij.” [1] 
    • Alle diepe ballen op Hazard waren waardeloos, maar Otamendi kopte wel nog een ongevaarlijke vrijschop nipt naast zijn eigen doel. [2] 
Vertalingen

Gangbaarheid

48 % van de Nederlanders;
85 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen