vrijzinnig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vrij·zin·nig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen vrijzinnig vrijzinniger vrijzinnigst
verbogen vrijzinnige vrijzinnigere vrijzinnigste
partitief vrijzinnigs vrijzinnigers -

Bijvoeglijk naamwoord

vrijzinnig

  1. met opvattingen die niet door starre uitgangspunten of vooroordelen worden beperkt
  2. (politiek) strevend naar geestelijke en maatschappelijke vrijheid
      De Heer Huskisson, zegt hij, is, gelijk zijn vriend Canning was, een voorstander van een vrijzinnig stelsel van buiten- en binnenlandsche staatkunde, maar zij waren beide even ver verwijderd van de overdrevene gevoelens der Whigs.[3]
  3. (religie) (Nederland) gelovig, niet aan dogma's gebonden, maar met de opdracht zelf de waarheid te ontdekken
    • Hij behoort aan een vrijzinnige kerkgemeenschap. 
  4. (religie) (België) niet-gelovig, niet-kerkelijk
Synoniemen
Antoniemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. vrijzinnig op website: Etymologiebank.nl
  3. Bronlink geraadpleegd op 20 april 2021 Weblink bron Buitenlandsche berigten. : Engeland. in: Nederlandsche Staatscourant, 1828 nr. 38 (13 februari 1828), Bureau der Nederlandsche Staats-courant, 's-Gravenhage, p. 1 kol. 1
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be