vrijer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vrij·er
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vrijer vrijers
verkleinwoord vrijertje vrijertjes

Zelfstandig naamwoord

vrijer m

  1. (verouderd) aanbidder, (jonge)man die een vrouw het hof maakt of om haar hand vraagt
  2. (informeel) vriend, geliefde
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Bijvoeglijk naamwoord

vrijer

  1. onverbogen vorm van de vergrotende trap van vrij
     Na een aantal maanden zoeken maakte ik dan een keuze die vaak op een oecumenische kerk viel, aangezien deze vrijer van dogma’s is.[3]

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. vrijer op website: Etymologiebank.nl
  3. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be