vrijwillig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vrij·wil·lig
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘niet gedwongen’ voor het eerst aangetroffen in 1526 [1]
  • Samenstellende afleiding van vrij en wil met het achtervoegsel -ig [2]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen vrijwillig vrijwilliger vrijwilligst
verbogen vrijwillige vrijwilligere vrijwilligste
partitief vrijwilligs vrijwilligers -

Bijvoeglijk naamwoord

vrijwillig

  1. niet gedwongen
    • De vrijwillige medewerkers deden goed werk. 
    • De vrijwillige brandweer van Ammeloe is woensdagmorgen in alle vroegte uitgerukt voor een autobrandje in Zwillbrock, waarbij de eigenaar van de auto met een poederblusser al meteen de boel had gesmoord. [3] 
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen