tegenwoordig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • te·gen·woor·dig
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘aanwezig, nu bestaande’ voor het eerst aangetroffen in 1200 [1]
  • Samenstellende afleiding van tegen en woord met het achtervoegsel -ig [2]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen tegenwoordig tegenwoordiger tegenwoordigst
verbogen tegenwoordige tegenwoordigere tegenwoordigste
partitief tegenwoordigs tegenwoordigers -

Bijvoeglijk naamwoord

tegenwoordig

  1. betreffende de huidige tijd, huidig
  2. aanwezig
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen