tegenwoordig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • te·gen·woor·dig
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘aanwezig, nu bestaande’ voor het eerst aangetroffen in 1200 [1]
  • Samenstellende afleiding van tegen en woord met het achtervoegsel -ig [2]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen tegenwoordig tegenwoordiger tegenwoordigst
verbogen tegenwoordige tegenwoordigere tegenwoordigste
partitief tegenwoordigs tegenwoordigers -

Bijvoeglijk naamwoord

tegenwoordig

  1. betreffende de huidige tijd, huidig
     Ik begrijp al die haast van tegenwoordig niet.[3]
  2. aanwezig
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen