Naar inhoud springen

tegenspraak

Uit WikiWoordenboek
  • te·gen·spraak
enkelvoud meervoud
naamwoord tegenspraak -
verkleinwoord

detegenspraakv/m

  1. tegenspreken, ontkennen
     `Hoewel iedere politieke visie altijd wel enige positief gekleurde opvatting heeft van een goed geordende samenleving, is het toch vooral een preoccupatie met wanorde die het meest naar voren springt in de geschriften van Bacon' luidt zijn conclusie (Leary 1994, 84) die, ondersteund door vele citaten, lijnrecht in tegenspraak is met Toulmins hypothese uit Cosmopolis.[1]
     Ze had de gordijnen niet dichtgedaan en in de kamer boven zag ik een wit plafond vol scheuren, met een kaal peertje dat volkomen in tegenspraak leek met haar gebruikelijke gevoel voor esthetiek.[2]
     Haar toekomst ligt bij haar eigen soort! ' sprak mijn vader op een toon die geen tegenspraak duldde.[3]
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[4]
  1. Hans Achterhuis
    “De erfenis van de utopie” (1998), Ambo/Anthos uitgevers op Wikipedia, ISBN 9026315244
  2. Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  3. “De Camino” (2021), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024582280
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

tegenspraak

  1. tegenspraak