oneens

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·eens
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van eens met het voorvoegsel on-
stellend
onverbogen oneens
verbogen (alleen
predicaat)

Bijvoeglijk naamwoord

oneens

  1. hebben van een andere mening dan iemand anders heeft
    • Ik ben het oneens met hem. 
Antoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.