jegens

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • je·gens
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘voorzetsel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1292 [1]

Voorzetsel

jegens

  1. tegenover, naar ... toe
    • Wrok jegens iemand koesteren. 
Hyponiemen
Vertalingen
  vnw. bijw.
  voorzetselbijwoord     jegens  
 persoonlijk     erjegens  
aanwijz.   nabij     hierjegens  
  veraf     daarjegens  
  vragend/betrekk.     waarjegens  


Bijwoord

jegens

  1. (verouderd) prepositioneel deel van een voornaamwoordelijk bijwoord tegenover

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
96 % van de Vlamingen.

Verwijzingen